Contact
Rense van der Velde
veldpad@gmail.com.nl
© 2017 Rense van der Velde. Alles uit de publicatie mag worden gekopieerd, uitgedeeld of wat dan ook mits het niet gewijzigd wordt en voorzien is van bronvermelding.
Het kan zijn dat dat er ten zijne tijd wat wordt herzien of uitgebreid.
DE AARDE BAARDE

Bevalling
Ik heb mijn eindeloze wezen gebaard. Jarenlang verscholen in een moeras. Vele gezichten gespiegeld in water. Nu kijkend in een spiegel van linnen. Er zijn nog zoveel soorten morgenrood die nog nooit hebben gegloeid. Iedereen op de gehele wereld is het met mij oneens. Toch is het een mooie middag waarop ik omkijk en vooruit zie. Wat is het dat dingen in mijzelf vaststelt. Ik kom pas in beweging als ik in brand ben gestoken. Er zijn woorden van mezelf en woorden niet van mijzelf, wie moet ik geloven? Is het niet fantastisch dat ik de mensen wakker mag schudden en dat jij ze weer in slaap wiegt.

Worden
Hoe kan iemand worden wie hij is. Hoeveel waarheid kan iemand verdragen. Aan hoeveel waarheid waagt hij zich. Het bezit van anderen ver achter zich latend. Hoe kan een mens zo'n dief zijn? Ik zie de dingen met mijn ogen, niet met mijn verstand. Graaf met mijn handen in de aarde. Ik heb net zoveel te vertellen als die steen die ik in mijn handen vasthoud. Een steen is een steen.
Na tweeduizend jaar maken we de balans op. Er is ons geleerd ergens in te geloven. Een mythe is gestorven. De leegte die is ontstaan wordt gevuld. Het gevolg hiervan is dat de mens nu denkt dat hij alles moet worden. De heidenen droomden ook. Maar het waren alleen dromen. Zij geloofden niet. Alles was zoals het was. Ik geef je het heidendom terug in al zijn eenvoud. Ik leer je te dromen zonder dat ze uit hoeven te komen. Een levensspel waaruit vreugde in het leven de waarheid is.

Wieg
Is het leven niet een degeneratie van iets wat ooit volmaakt was. Is de tijd niet een afgedreven eiland van de eeuwigheid. Is ons weten niet een dementie van de alomvattende waarheid. Zijn wij mensen slechts dromen van de goden. Wij zijn aangewezen om te kijken. En zelfs dan zien wij niet. We hebben gedachten en emoties. Zij vormen onze waarheid. Onze god die in de hemel zijd en niet op de aarde. Uw naam is verzonnen. Uw koninkrijk daar smeken wij om. Alleen liggen we in ons bed te bidden en dromen over wat er gaat komen. Verlangen te worden opgenomen in uw armen. Neergelegd in de wieg van de eeuwigheid. Waar is mijn wiegje waar mijn moeder mij teder aan toevertrouwde. Daar verlang ik naar. Naar die eeuwige slaap waar over je wordt gewaakt.

Plato’s Grot
Koppig doorgaan ook al weet je dat het nergens toe dient. Je mening verdedigen tegen beter weten in. Je ongelijk toegeven omdat je geen gelijk hebt. Filosofieën bestuderen alleen maar omdat je door wilt gaan. Schoppen tegen de religies want je lokt graag reacties uit.
Hoofdpijn van het denken. Een kamer in de schemer. Stilte. Iedereen is naar bed. Ik heb niemand meer om tegen aan te schoppen. In de kamers van mijn denken schuilen emoties. Bij elke gewaarwording ben ik een ander. Ik leef van de gedachten van een ander. Ik kijk naar het projectiescherm waar mijn leven op geprojecteerd word. Zo ben ik bewust van degene die ik niet ben. Een vreemde in de zaal. Ik kijk om me heen en zie alle mensen gekluisterd aan de stoel. Ik beweeg mijn armen en zie dat ze niet echt vastzitten. Ik sta op en loop naar buiten.

De zon schijnt op het projectiescherm van het leven. Het verlicht de film waarvan we de hoofdpersoon spelen. Mijn voelen van vandaag is niet hetzelfde als dat van gisteren. Het leven is niet van mij. Want wie moet ik hiervoor aanspreken. Wie zegt mij: 'Dat ben jij.' Leven is een ander zijn. Ik kan niet zeggen wie ik ben. Want over wie hebben we het dan. Om mijn denken te tarten handel ik zonder na te denken. Ik doe zomaar de dingen die op mijn pad geraken. Intuïtief wellicht. Ik weet niet of dat bestaat. Ik noem het handelen zonder na te denken. Ik handel en wandel verder tot het middag en daarna avond wordt.

Bootje
Kan ik zoals een  kind een klomp in de sloot laten varen? Er hangt een sluier tussen de wereld en mij. De vaart is eruit. Ik die zo vaak droom ken momenten dat de droom mij ontvlucht. Er zijn dan geen herinneringen. Het gordijn wordt opzij geschoven en ik zie alles even helder.
Ik strijk als kind een lucifer langs het zwaluw-doosje. De krant van thuis krult in zichzelf met een rode gloed aan het uiteinde. Letters worden verteerd, as blijft er over. Met mijn voet trap ik in de as en loop naar huis. Ik laat zwarte voetstappen achter en zo verraad ik mezelf. Ontsnappen is niet eenvoudig. Altijd wel iemand die je gangen nagaat. De hemel is staalblauw, iets nattig op de straat. Morgen gaat het weer regenen. De oostenwind waait langs mijn gezicht. Geuren van fruit en kip aan het spit als ik langs een markt loop. Er lopen meer mensen in de stad dan daarbuiten. Een torenklok telt de uren. Bij elke slag vliegt de kerkuil een rondje om de toren. Geheimzinnig houd ik het verborgen onder mijn jas. Als ik buiten de stad kom dringt de lucht van kuil en mest in mijn neus. Ik loop over het boerenerf van kom zo bij een sloot. Voorzichtig kijk ik om of er niemand is die mij ziet. Ineens ben ik alleen op de wereld. Ik kniel en haal de klomp onder mijn jas vandaan. Voorzichtig duw ik het bootje in het water.

Almacht
Aan haar oren hingen alarmbellen. Ze inspecteerde de punten van haar schoenen alsof de spitsheid er toe deed. Een blauw mantelpakje met bijpassende kokerrok omsloten haar lichaam als een pantser. Ze liep de trap op en keek naar beneden en om zich heen alsof ze bij elke trede, bij elke stap nadacht. Hoe kan het dat er altijd weer iemand opstaat waar mensen vervolgens achteraanlopen. Het moet de onzekerheid, de onmacht in eigen kunnen zijn. Hierdoor verlenen we een ander macht. Degene die opstaat met een talent waar hij niets voor heeft hoeven doen wordt zo op een voetstuk geplaatst waar hij niet thuishoort. De mens verschaft hem zijn plaats. Dit versterkt zijn almacht. Hierdoor wordt de begenadigde nog creatiever en fantaseert nog meer. Ten slotte gelooft hij zelf in het geen hij is en heeft bereikt. Dat dit bereikt is door inzet, doorzettingsvermogen en intelligentie. Wellicht gaat hij denken dat hij een uitverkorene is.

Emotie
Mijn dromen aaneengesloten verbonden. Dit zou mijn nieuwe werkelijkheid zijn. In dromen hoef je niet na te denken, een slaap zonder dromen. Verbaast dolen door mijn eigen landschap. Geen beperkingen. Alleen maar indrukken en momenten zonder betekenis. Het leven trekt zich aan mij voorbij. Emoties als een bries op een zomernamiddag de gordijnen voorzichtig bewegen. Een bliksem inslag. Onverschillig wat de gevolgen zijn. Emotie laat zich niet vangen, laat zich niet duiden. Wat brengt haar in beweging. Wie heeft haar losgelaten.
In wezen bestaan alleen onze herinneringen. We zijn wandelaars door onszelf. Eeuwig zou ik willen wandelen. Op het moment dat Babylon in zicht komt ontstaat de spraakverwarring. Wat moet je nog zeggen als je gedroomd hebt. Gewandeld door het landschap van de ziel.

Kind
Een kind kruipt over de vloer en pakt een kruimeltje brood. Verwonderd bekijk ze haar wereld. Dat moment, deze stilt zal ik nooit meer bereiken. Het is jammer dat ik geen kind meer ben dan kon ik mijn dromen nog geloven. Ik heb al te veel in gang gezet. Hoe zou zij zijn als ze de leeftijd van mij heeft. Ik droom voor haar dat haar kind ook dat kruimeltje vindt. Dan zal ik dat in mijn eindeloze diepte laten weten. De herkenning zal er zijn. Let maar op dat moment. Dan zal ik er voor je zijn.

Belofte
Mij vermoeidheid is een optelsom van alle vermoeidheden. Ik ben mijn belofte vergeten. Mijn toekomstige ouderdom is realiteit. Ik kwam laat op gang. Waar heeft het dolen zijn nut gevonden. Een mestvaal van oude gedachten waar zo nu en dan de zon op schijnt. Van nature ben ik geen pessimist, alleen teleurgesteld in het leven. Ik ben alles geweest.
Het landschap wat ik creëer is een deur waardoor ik kan vluchten en mezelf niet hoef te ontdekken. Als de zee zich terugtrekt blijft er water liggen op het strand. Het zal verdampt zijn voor het vloed word en nooit meer terugvloeien naar de zee. Ik wieg mezelf, zoals een moeder haar dode kind. Ontwaakt ben ik op een kruispunt en weet niet uit welke richting ik kom. Van papier vouw ik bootjes met daarop de onwaarheden die mij zijn verteld. Maar er is geen plas water meer waarop ik het bootje kan laten varen. Ik heb geleerd om mijn dromen werkelijker te zien dan wat ik met mijn ogen zie.

Wereld
De wereld is een chaos van niet bestaande dingen. Schaduwen van iets groter. Rijp om gedroomd te worden. Als slaapwandelaars trekken ze aan mij voorbij. Onze dromen zijn herinneringen van werelden waarin wij in een ver verleden hebben geleefd. Wanneer ik dit bedenk kijk ik om me heen en probeer verstrooiing te vinden. Niet in bergbeklimmen dat laat ik aan anderen over.

Herinnering
Talloze Schaduwen van bomen zijn vergeten. Een verliefd stel kerft een hart in de stam. Wie weet waar ze zijn gebleven. Wolkenfiguren talloos aanschouwd worden door niemand meer herinnert. Waar zijn alle verhalen uit onze kindertijd gebleven. Voor al onze indrukken is geen plaats in het archief van de herinnering. Wat is het doel van dat vele zien als we het toch niet kunnen onthouden. Als mist op een weiland tot de zon verschijnt, verdampen onze ervaringen. We zijn niet meer dan een overgang tussen nacht en dag. Dauwdruppels op een geknakte rietstengel. Als zwanen verheffen we ons uit het water en slaan met onze vleugels. We vliegen omdat we vliegen. Maar waarheen.

Straat
Het is avond. Ik loop door het dorp. Huizen staan tegenover elkaar in een straat. Nooit zullen ze de straat oversteken en elkaar aanraken. Enkel en alleen kijken ze met hun openingen van ramen, al waren het ogen, naar elkaar. Ogenschijnlijk dood zijn het levende dingen. Water stroomt door leidingen als bloed door aderen. Lampen branden en verjagen de schaduwen. Er klinkt een liedje uit de radio en een stem die meezingt. De TV staat aan en voorziet de mensen van nieuws. Een moederstem troost haar kind. Verliefde mensen raken elkaar voor het eerst aan. Samen vormen ze het hart van deze straat. Huizen in deze straat zijn ons thuis. Het kleine wat ons is gegeven ligt het grote verborgen.

Afstand
Ik heb het onbekende tot leven gebracht. Het is niet meer dan de afstand tussen mijn geboorte en dood. Het verschil tussen niets en iets. De duur van bewustzijn. Woorden gegoten in proza. Kleurvlakken geordend. De klok maalt de tijd aan stukken. Als een vuurpijl schiet ik de hemel in. Tussen de sterren en planeten zijn de afstanden groter. Hier is de lucht zoveel schoner. Woorden schieten te kort en kleuren zijn er in overvloed.

Vaderland
'Gij zult niet doden', toch sterft alles. De pijn van het zijn is als een vaderland zonder vader. Niet bang voor de dood, maar te leven in een onherkenbare wereld. Ik vlucht in mezelf naar de schuilhut van mijn kunst. Door het raam staar ik in mijn vertrouwde droomlandschap. In gedachte schrijf ik het plan van mijn terugreis. Ik richt mijn ogen weer op de muren die zijn volgehangen in spanning, gevangen in kleuren. In de verte afgebeelde mensengedaanten. Het wezen van alles lijkt gestorven. Als deze mensen konden denken zouden ze elkaar niets aandoen. Toch verlang ik ook wel eens naar hun niet-denken. Onbewust vooruit te worden geduwd en je druk maken over zinloos werk. Als ik de mensen zo observeer dan is het net of de wereld ook een schilderij voorstelt met een lijst eromheen en ik zie mezelf ook op dat doek staan.

Stilte
De stilte is enorm. Gestolde stilte. Krakend ijs in de ochtend. Middag. Kinderen schaatsen voor het eerst achter een stoel. Het leven is voor een dag weer zoals het was. De mobieltjes, de hiphop en rap zijn even uit. Uit de grauwe lucht begint het te sneeuwen. Volwassenen en kinderen maken gebaren en roepen luid 'het sneeuwt. Ze begrijpen elkaar voor even, een universele taal.
Sneeuw. Vandaag ben ik me bewust van sneeuw. Niets anders. Waar kom je vandaan. Kristalhelder door strooizout vervuilt. Auto's rijden door dikke blubber. Vanmorgen was je nog wit. Waar ben je gebleven. Ik heb afstand gedaan van alles zodat ik nooit meer gekrenkt en vernederd kan worden. Ik hoor mezelf praten en tegelijkertijd ben ik alweer vergeten wat ik zeg. Waarvan en waar komt dit vandaan. Ik geloof mezelf niet eens. Degene die ik gisteren was is nu alweer een vreemde. Ik leef langs alles heen zelfs langs mijn eigen ziel. Hoor nergens bij - een omgevallen spiegel. Ik wil niet leven en ik wil niet dood. Toch is het onmogelijk te ontsnappen uit jezelf omdat je oneindig bent. Diep in mijn kerker op de bodem ligt een diamant. Hoog boven mij een onbereikbare God. Ik voel dat er meer uit mezelf te halen valt maar kan er niet bij.

Terug nar gedichten
Home